A A

  Achtergrond

Wat verstaat men onder een troubadour?

Het beeld dat de meeste mensen hebben bij het woord troubadour is dat van een rondtrekkende artiest, een vrijbuiter die langs kastelen, herbergen, dorpen en steden trok om de mensen te vermaken met zijn, al dan niet zelfgeschreven, liederen en gedichten, eventueel afgewisseld met andere kunsten, zoals verhalen vertellen, jongleren e.d.

Het lied “De Troubadour” waarmee Lenny Kuhr in 1979 het Eurovisie Songfestival won, is gebaseerd op dit beeld:



Dit beeld is in de loop de eeuwen vertekend en klopt niet meer met wat de troubadours eigenlijk waren en wat door onderstaande definities kort wordt omschreven:

Troubadour (Fr., van Provenç. trobador, vinder, bedenker), lyrische dichter- componist- voordrachts-kunstenaar in de Provence der 11e-13e eeuw, wiens vormenrijke poëzie (ballade, lais, rondeau, sirventes e.a.), uit de voorstelling der hoofse aristocratie, bepaald werden door de “mezura” of beheerstheid en door de idee van vrouwendienst, waarbij in de vrouw de personificatie van het aesthet.-schone en zedelijk-goede werd gezien. Bij de trouvères van N.-Frankrijk onderging deze Provençaalse minnepoëzie een aanpassing aan de burgerl. wereld. De lyriek der T.-s had belangrijke uitwerkingen in Ital. (ook op Dante) en Duitsland.”

Bovenstaande definitie uit de Kleine Winkler Prins, Elsevier, Amsterdam-Brussel ed.1949.

trou-ba-dour (trōōʹbə-dôrʹ, -dōrʹ, -dŏŏrʹ)n. 1. One of a class of lyric poets of the 12th and 13th centuries attached to the courts of Provence and Northern Italy, who composed songs in complex metrical forms. Compare trouvère. 2. A strolling minstrel. [French, from Old French, from Old Provençal trobador, from trobar, to invent, find, compose poetry, variant of Old French trover. See trouvère.]”

trou-vère (trōō-vârʹ) n. Also trou-veur (-vûrʹ). Any of a school of poets flourishing in Northern France in the12th and 13th centuries, who chiefly wrote narrative works, such as the chansons de geste. Compare troubadour. [French, from Old French trovere, from trover, to invent, find, compose poetry, from Vulgar Latin tropăre (unattested), to use tropes, from Latin tropus, TROPE.]”

Bovenstaande definities uit American Heritage Dictionary of the English Language, New College Edition, Boston,1980.

Uit bovenstaande definities blijkt dat onder troubadour in de Middeleeuwen zelf dus iets héél anders werd verstaan: het waren voornamelijk de edelen zelf die troubadour waren en lang niet altijd en zeker niet voortdurend rondreisden, maar aan hun eigen hof hun kunst beoefenden. Hoe kwam deze cultuur tot stand?

De Frankische koningen hadden door veroveringen grote delen van Europa aan hun rijk toegevoegd.  De leiders van de meest succesvolle van de vele Germaanse stammen waren met de volksverhuizingen in West-Europa terecht gekomen. Met het Frankische rijk ontstond voor de eerste maal een vrijwel geheel West-Europa omvattende wankele politieke eenheid. Het centrum daarvan lag niet aan de Middellandse Zee maar in het binnenland. Dit rijk was echter een lappendeken van stammen en stammetjes, ieder met eigen culturele tradities, soms heidens, soms christelijk. Om een zekere culturele eenheid tot stand te brengen in dit enorme gebied, liet Karel de Grote de heidense stammen tot het Christendom bekeren, desnoods met geweld. Verder bracht hij de liturgie van al die nieuwe en oude christenen tot eenheid. Uit Rome liet Karel boeken met teksten en gezangen komen, die overal verplicht werden ingevoerd. Zo werden allerlei plaatselijke en regionale tradities, ook de muzikale, verdrongen en vervangen door de Romeins/Latijnse liturgie en het Gregoriaans.

De troubadourcultuur ontstond aan de hoven in Frankrijk toen het land zich na de donkere tijden van desintegratie en oorlogen (± 800-1000 na Chr.) weer begon te verenigen. In de 8e eeuw was Frankrijk onderdeel van het Karolingische Rijk, dat door het verval van de Romeinse cultuur (door de volksverhuizingen) moeilijk bijeen te houden was. De Romeinse infrastructuur en de geldeconomieën  van de steden raakten in verval, waardoor Karel de Grote niet voldoende geld had om zijn volgelingen te belonen. In plaats van geld gaf hij ze land in leen als beloning, maar ook deze mogelijkheid was eindig: op een gegeven moment was al het land verdeeld. Om nieuw land te kunnen verdelen moest er eerst weer land veroverd worden en dat kost geld: geld om de troepen te kunnen betalen en om de wegen aan te leggen dan wel te onderhouden  waarlangs deze troepen zich moesten verplaatsen. Het reeds eerder gesignaleerde geldgebrek aan het Karolingische hof stond verdere veroveringen dus in de weg. Bovendien was Frankrijk ingeklemd tussen sterke landen: het door Moslims beheerste Spanje, Italië en Duitsland. De expansiemogelijkheden op het vasteland waren hiermee uitgeput.

Nu beloningen voor het uitoefenen van de bestuurstaken achterwege bleven en er ook niet streng werd gecontroleerd, voelden de leenheren zich niet meer onmiddellijk verplicht om die taken te blijven vervullen. In plaats daarvan “begonnen zijn voor zichzelf”: zij gingen zichzelf als bezitter van het land beschouwen en vererfden het aan hun nazaten. Dit was het begin van het ontstaan van de adel. Omdat de koningen na Karel de Grote geen greep meer hadden op de situatie (de leenheren waren immers mede hun controle-apparaat!) viel het Frankische Rijk snel uiteen in veel kleinere eenheden met elk zo’n leenheer aan het hoofd. Ook deze graafschappen en hertogdommen vielen weer verder uiteen omdat ook deze heren niet in staat waren om hun lagere vazallen te belonen, waarna die op hun beurt weer “voor zichzelf begonnen”. Frankrijk was hiermee weer verworden tot de grote lappendeken van allemaal kleine gebiedjes rond versterkte vestingen, die hun buren van het lijf probeerden te houden.

Tegelijk met deze ontwikkeling deed zich een andere voor: nu deze kleine heren moesten leven van hun land, gingen ze het ook beter beheren. In de tiende en elfde eeuw waren er op het gebied van de landbouw belangrijke ontwikkelingen zoals verbeteringen in de manier waarop de paarden werden ingespannen, de ploegen werden beter en het drieslagstelsel werd ingevoerd. Dit hield in dat het land het eerste jaar werd bebouwd met wintergraan (tarwe of rogge), het tweede jaar met zomergraan (gerst of haver), het derde jaar braak (=onbebouwd). Door dit drieslagstelsel raakte de grond minder snel uitgeput en bleef het land voldoende opleveren. De haver die werd verbouwd kon worden gebruikt als voedsel voor paarden. Men ging dan ook vaak over van ossen op paarden als trekdier.

Doordat er veel meer ijzer in omloop kwam, werden landbouwwerktuigen verbeterd. Zo kwam bijvoorbeeld de keerploeg in gebruik, die grote kluiten aarde losmaakte en omkeerde waardoor in het veld hoge en lage delen ontstonden. De afwatering verbeterde daardoor zodat ook vochtige gebieden ontgonnen konden worden. De eg, waarmee na het ploegen de kluiten werden verkruimeld, werd door het gebruik van ijzer verbeterd.
De bespanning van de trekdieren werd veranderd. In de 9de of 10de eeuw werd het halsjuk (haam) uitgevonden waardoor de krachten van de trekdieren veel beter werden benut. Men wist steeds beter hoe de grond bemest moest worden. Om kalkarme gronden te verrijken werd mergel gebruikt.

Door deze en andere landbouwverbeteringen verbeterde de vruchtbaarheid van de grond en nam het rendement toe. Was het in de Karolingische tijd zo dat 1 gezaaide graankorrel gemiddeld 2? korrel oogst opleverde, nu was de verhouding 1 : 4 geworden. Andere belangrijke uitvindingen na de Romeinse tijd zijn het hoefijzer (9de eeuw) en de watermolen. In de Romeinse tijd werd een molen aangedreven door slaven of dieren. In de laat-Romeinse tijd bedacht men hoe zo'n molen ook met behulp van waterkracht aangedreven zou kunnen worden. Behalve molens voor het malen van het graan kwamen er molens om olie uit olijven, noten of papavers te slaan; voor het maken van mosterd, voor het kloppen van eikeschors voor de leerlooierijen, om metalen te pletten, om hout te zagen, om wede en meekrap te verpulveren zodat ze als verfstoffen gebruikt konden worden en, sinds de 13de eeuw, ook voor het maken van papier, dat daarna het perkament ging verdringen. Windmolens worden voor het eerst vermeld aan het einde van de 12de eeuw.

De verbeteringen in de landbouw leidden uiteraard tot hogere opbrengsten. Die hogere opbrengsten op hun beurt tot bevolkingsgroei. Door de snelle bevolkingsvermeerdering steeg de vraag naar graan enorm waardoor ook de prijzen stegen. Deze hoge prijzen stimuleerden verdere ontginning. Er werden dijken gebouwd om gebieden tegen het water van rivieren en de zee te beschermen; maar ook al om land in te polderen. Het overtollige water werd dan bij eb via sluizen geloosd.

Daardoor steeg de opbrengst en kregen de heer, zijn familie en zijn onderdanen het beter. De producten die niet voor eigen gebruik nodig waren werden verhandeld, waardoor weer een geldeconomie op gang kwam in steden die ontstonden rond de vestingen van de machtigste heren die de expansiestrijd hadden gewonnen. Door het afnemen van gebrek was er minder sterfte waardoor de bevolking weer ging groeien, zowel bij de landbezitters als de onderdanen, die voor een deel de steden gingen bevolken. Voor de landbezitters ontstond hier een nieuw probleem: de nazaten moesten ook weer land hebben, en voor méér mensen moest er méér geproduceerd worden, en daarvoor is meer land nodig. Dit leidt tot nieuwe veroveringen en de verliezers rest niets anders dan de zijde van de winnaar te kiezen. Deze winnaar is wéér een betere beschermheer en trekt nieuwe handelaren aan waardoor er meer welvaart komt.

In tegenstelling tot de tijd van Karel de Grote hebben de enkele adellijke families rond 1100 wèl geld om hun volgelingen te belonen. De vroegere verliezers werden nu met geld beloond voor hun vechtprestaties, waardoor er een ontwikkeling inzet richting hiërarchie binnen de adel. Door de schaalvergroting en de aanwezigheid van veel geld konden toen weer expansies worden gepleegd: Sicilië werd veroverd, evenals Engeland. De Moslims werden uit Spanje verdreven en de Kruistochten begonnen, met veel deelname van Franse ridders.

Uiteindelijk waren er door huwelijk en verovering rond 1300 nog maar twee machtsblokken over: het noordwesten van Frankrijk met Engeland, samen onder Hendrik II en het zuiden van Frankrijk onder het huis Capet. De andere grote families/huizen sloten zich door middel van allianties bij één van deze twee aan om op die manier nog van zich te kunnen doen gelden. Pas na de 100-jarige Oorlog wordt Frankrijk weer één staat na de overwinning van de Franse op de Engelse koning.

Door deze ontwikkelingen (zo rond 1050-1100)  neemt de noodzaak van voortdurende agressie af: de grootste heren bieden beloonde bescherming waardoor de voortdurende bedreigingen afnemen. Door de schaalvergroting moet er meer op afstand bestuurd worden en om dit mogelijk te maken neemt de betekenis van geschreven documenten toe. Aan de grotere hoven komen geschoolde ambtenaren: schrijvers, juristen, diplomaten. Door de nu ontstane hiërarchische structuur kan niet elke edelman meer zomaar op rooftocht gaan, hij staat onder een hogere heer die dat niet zal tolereren. De heren zitten nu in politieke/sociale netwerken, waarvoor, naast de zwaardkunst, andere vaardigheden nodig zijn: welsprekendheid, (zelf)beheersing, goede manieren. Hierdoor ontstaat de hoofse cultuur.

In de hele ontwikkeling waarbij geweld minder belangrijk wordt, uit zich dit onder andere naar de vrouwen toe. De man “neemt” niet zomaar een vrouw, maar ontwikkelt een andere vorm van genegenheid, die hoofse liefde wordt genoemd. Hij cultiveert daarin zijn gevoelens van genegenheid of verliefdheid zonder deze tot bevrediging te laten komen: liefde op afstand,  waarbij de manier waarop belangrijker wordt dan het resultaat. Een van de middelen om een vrouw de liefde te verklaren is het schrijven van (liefdes)gedichten, die later ook op muziek gezet werden.

In de nieuwe ontwikkeling in de richting van aangename manieren past ook dat een heer zijn gasten weet te vermaken met poëzie, zang en verhalen. De edelen gaan zich hierop toeleggen door de beoefening van dichtkunst en muziek. In deze ontwikkeling ontstaan verschillende genres van liederen/gedichten:

de canso is het hoofse liefdeslied waarin seksualiteit en verlangen bespreekbaar en beheersbaar wordt gemaakt. Hierin komt de onbereikbaarheid van de geliefde tot uiting, want in de hoofse liefde gaat het om een principieel onvervulde liefde, of een liefde die niet dan na zeer veel overwonnen hindernissen tot vervulling komt.

de sirvente is een lied over personen of (politieke) onderwerpen (oorlog en strijd), waarin spot of juist lof wordt uitgesproken over de bezongen persoon.

de tenso is een soort dialoogvorm waarin twee of meerdere deelnemers beurtelings een couplet schrijven waarin zij op elkaar reageren. Deze vorm was zeer geschikt als tijdverdrijf aan het hof.

de vida is een korte, meestal legendarische, biografie waarin iets verteld wordt over de kwaliteiten van de troubadour en wat hij heeft beleefd. Uit de vidas zijn de troubadours herkenbaar terug te vinden: uit deze omschrijvingen kan het beeld van de echte troubadour worden gereconstrueerd.

de razo is een inleiding bij een specifiek gedicht.

Hoewel de troubadours dus voornamelijk mannen waren, zijn er ook vrouwen bekend die de troubadourkunst beoefenden. Zij werden ‘trobairitz’ genoemd en waren vèr in de minderheid: er zijn zo’n 500 troubadours bij naam bekend (onder andere door de vidas), van hen zijn slechts 20 vrouw.

De werken van de troubadours zijn in de begintijd vooral mondeling overgeleverd, pas véél later zijn zij opgetekend in fraai versierde manuscripten. Dit gebeurde onder invloed van de schaalvergroting en de grotere welvaart aan met name de grotere, meer succesvolle hoven, waar professionele schrijvers en ambtenaren de producten van hun heer vastlegden. Door de grotere welvaart werd het ook mode om deze werken te verzamelen: het bezit van deze werken was een teken van beschaving en welstand. Deze zeer luxueuze manuscripten werd een object van concurrentie tussen de adellijke hoven, een statussymbool, een prestige-object. Bekend is dat Jean de Berry, zoon van de Franse koning, die geen uitzicht had op troonopvolging, een verwoed verzamelaar was van manuscripten en andere kunstwerken, die hij aankocht met frauduleus verkregen belastinggelden.

Op dit moment in de geschiedenis was de eigenlijke troubadourcultuur al bijna verdwenen, want haar oorspronkelijke betekenis,  het aanleren van beschaafde manieren en het ontwikkelen van taalvaardigheid, was overbodig geworden omdat beschaafd gedrag en goede taalvaardigheid inmiddels algemeen geaccepteerd waren onder de adel.

In deze tijd doet ook de meerstemmigheid zijn intrede in de wereldlijke muziek. Door de professionalisering van de schrijf- en componeerkunst, die in handen kwam van speciaal daartoe aan de kathedraalscholen en universiteiten opgeleiden, kwam de meerstemmigheid vanuit de kerkmuziek in de wereldse muziek.

Waren er dan geen rondtrekkende vrijbuiters en grappenmakers? Ja zeker, zij waren er wel, het waren professionele artiesten die populair waren aan de hoven, maar die desondanks niet hoog in aanzien stonden. Zij werden joglars (jongleurs, letterlijk: speellieden) genoemd. Zij voerden soms wel werken van de troubadours uit.

De trouvères.

Ongeveer tegelijk met de ontwikkelingen in het zuiden van Frankrijk, maar over het algemeen iets later, ontstaat in het noorden de trouvèrecultuur. De eerste vorm was het chanson de geste, een verhalende dichtvorm. Later worden ook emoties van liefde uitgedrukt in de gedichten en worden liefdesverhalen opgeschreven. In tegenstelling tot de onbereikbare hoofse liefde van de troubadours is de geliefde in het noorden wèl bereikbaar. In de verhalen die in het noorden zijn geschreven worden de ridders beloond voor hun moedige gedrag door beantwoording met liefde door de dames die zij begeren. Liefde is hier een resultaat van eigen inzet, en niet iets waartegen je geen verzet kunt plegen, zoals de zuidelijke troubadours graag geloofden.

Een ander verschil tussen de zuidelijke troubadours en de noordelijke trouvères is dat de troubadours over het algemeen edelen waren, terwijl de trouvères ook burgers konden zijn. Onder invloed van de opkomende steden en de ambachtsgilden gingen ook de trouvères zich in gilden verenigen en droegen zij hun beroepstrots uit. Mede daardoor is van hun repertoire meer bewaard gebleven dan van de troubadours: 2000 trouvère-liederen zijn bekend, tegenover slechts 264 troubadour-liederen.

Van deze trouvère-liederen zijn vele genoteerd in mensurele notatie, dus gebruik makend van een indeling in maten, zodat het te zingen ritme duidelijk is. De taal van de trouvères is de Langue d’Oil (de noordelijke voorloper van het Frans), die van de troubadours is de Langue d’Oc (de zuidelijke voorloper van het Frans). In deze laatste term is de naam van de landstreek Languedoc terug te vinden.

De ontwikkeling van cultuur en muziek beperkte zich niet tot Frankrijk. Tegelijk met de hierboven beschreven ontwikkelingen ontstond in Duitsland de liedkunst van de Minnesänger, die net als hun Franse vakbroeders vooral over hoofse liefde schreven. Zij bleven tot in de 14e eeuw actief. Eén van hen, Oswald von Wolkenstein, schreef zelfs tot in de 15e eeuw in de oude stijl. Zijn liederen waren zeer plastisch, bijna pornografisch van inhoud, wat hem zowel bewonderaars als tegenstanders opleverde.

De Minnesänger waren strenger in het gebruik van kerktoonsoorten en hun liederen werden soms ook in mensurele notatie opgeschreven. Veel van de liederen van de Minnesänger hebben de Barvorm: twee Stollen en een Abgesang: A-A-B, waarna soms nog een variatie van A kan volgen. Deze vorm werd later door Johann Sebastian Bach gebruikt in een aantal van zijn koralen. Het schema ziet er aldus uit: klik hier

Op deze pagina staan ook nog afbeeldingen van twee Minnesänger en een stukje muziek van Walther von der Vogelweide dat in de Barvorm geschreven is.

Aan de hand van al het bovenstaande kunnen we zien dat het heden ten dage bestaande beeld van de rondtrekkende troubadour met zijn instrument op de rug niet in overeenstemming is met de oorspronkelijke betekenis  van de 11e-14e eeuw.

Hiermee kan aangetoond geacht worden dat de invloed van o.a. een lied als dat van Lenny Kuhr het begrip troubadour geheel hebben veranderd. Wat ons betreft is dat geen doodzonde. We doen mee met de huidige betekenis en zingen u wellicht toe tijdens een van ons optredens.


Home  Ontstaan  Instrumenten  Hoogtepunten  CD  Links  Agenda  Boekingen  Sitemap
Bio Agnes  Bio Jan-Bob
Algemeen  Iers  Country  Zeemans  Troubadour  Ouderen  Brabants  Sociaal  Straattheater  Kerstprogramma
Contact  Foto album

Webdesign: Script Zine Design